For English read below

Voor onze volgende blog over queerness en beperkingen, wilde ik schrijven over iets dat me na aan het hart ligt: aseksualiteit. In mijn eerste blog, benoem ik mijn aseksualiteit in mijn discussie over queer zijn. Maar ik had het gevoel dat dit onderwerp zijn eigen spotlight verdiende. Aseksualiteit wordt over het algemeen gedefinieerd als een gebrek aan de behoefte aan seks of seksuele aantrekking. Iemand die aseksueel is kan nog steeds romantische aantrekking voelen en zelfs een gezond seksleven hebben, maar het gebrek aan seksueel verlangen kenmerkt deze identiteit. 

Als een jonge vrouw met een gezond lichaam, en zo bescheiden als mogelijk, die als conventioneel aantrekkelijk beschouwd zou kunnen worden, maakt niemand de aanname dat ik aseksueel ben. Het tegenovergestelde is waar, mensen maken aannames over mijn seksuele verlangens. Wanneer ik mensen vertel dat ik aseksueel ben, wordt deze mededeling vaak ontvangen met ongeloof, verwarring, en vreemd genoeg de vraag: “heb je orgasmes?” waarna ik moet uitleggen dat ik een gezond lichaam en geest heb maar alsnog aseksueel ben. Dergelijke aannames over mij zijn op zijn hoogst een klein ongemak. Maar de tegenovergestelde aanname, die van aseksualiteit, is een realiteit die mensen met een beperking dagelijks tegenkomen en last van hebben. 

Heel lang, tot ongeveer 1970, werd er in de maatschappij vanuit gegaan dat mensen met een beperking aseksueel waren. Dit kan gekomen zijn door het misverstand dat fysieke beperkingen ervoor zorgden dat seksuele bevrediging en seksuele handelingen onmogelijk waren of, in het geval van mentale beperkingen, dat ze te kinderlijk waren om seksuele verlangens te hebben (daarnaast kan wederzijdse instemming in dit geval een probleem vormen). Door het gebrek aan onderzoek over de ervaring van seksualiteit van mensen met een mentale beperking, zal ik me focussen op de discussie over mensen met een fysieke beperking. Seksuele relaties en fysieke intimiteit zijn onmisbare onderdelen voor psychologisch welzijn en eigenwaarde. In een meta-analyse van Miligan and Neufeldt (2001), is gevonden dat er in zowel persoonlijke verhalen als empirische onderzoeken een sluier van aseksualiteit over de beperkte gemeenschap hangt. Vanwege beperkte mobiliteit en lichamelijke afwijkingen, werd er geloofd dat er geen denkbare manier was voor mensen met een beperking om seks te hebben. Dit betekende dat er niet tot nauwelijks seksuele voorlichting beschikbaar was, waardoor mensen geen kennis hadden over seks en kwetsbaar waren voor bijvoorbeeld seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) of ongewenste zwangerschappen. In een film die ik recent bekeken heb, genaamd Crip Camp, wordt een vrouw met cerebrale parese opgenomen in het ziekenhuis met erge buikpijn. De dokter verwijdert haar blindedarm, maar ze heeft geen blindedarmontsteking, ze heeft gonorroe. De dokter nam aan dat deze vrouw geen seks zou hebben en voerde daarom onnodig een operatie uit, allemaal door aannames vanuit de maatschappij over mensen met een beperking. Dit vooroordeel doordrenkt dokters, onderzoekers, verzorgers, media en potentiële partners. 

Wat nog gevaarlijker is, is de internalisatie van dit vooroordeel door mensen met een beperking. Ze kunnen zichzelf gaan zien als ongewenst, niet in staat om seksueel voldoende te presteren en dat hun seksuele verlangens minder belangrijk zijn en vaak genegeerd worden. Met die internalisatie komt een gebrek aan activisme en zich uitspreken tegen deze stereotypes die zo nadelig kunnen zijn.

Waar ik voorzichtig mee wil zijn, is om niet het bestaan uit te wissen van mensen met een beperking, die daadwerkelijk aseksueel zijn. Sprekend vanuit mijn eigen ervaring, heb ik vaak gesprekken met medestudenten over hoe belangrijk het is dat vrouwen open en eerlijk over hun seksuele verlangens praten. Dat ze zich niet schamen voor het feit dat ze seks willen en fijn vinden. Als iemand die zichzelf als feminist beschouwt, wilde ik hieraan bijdragen. Ik wilde een vrouw zijn die fier rechtop stond en over seks praatte om het taboe te doorbreken. Maar, dat ben ik niet. En dat kan een lastige positie zijn omdat ik er zeker van wil zijn dat ik mensen niet bevestig in hun stereotypen. Daarom is het werk dat Stichting HEPPIE Seks doet zo belangrijk. Het doorbreken van taboes omtrent seksualiteit betekent niet dat iedereen seksueel moet zijn, maar wel dat iedereen het recht en de vrijheid hiertoe heeft. 


For our next piece about queerness and disability, I wanted to write about something that is near and dear to my heart: Asexuality. In my first blog post, I mention my asexuality in my discussion about being queer and I thought that it was a subject that needed its own spotlight. 

Asexuality is commonly understood as the lack of sexual desire or sexual attraction. Someone who is asexual can still experience romantic attractions, and can even have a healthy sex life, but it is their lack of sexual desire that designates this identity. 

As someone who is young and able-bodied, and as humbly as possible, could be considered conventionally attractive, I am never assumed to be asexual. Quite the opposite, my sexual desire is assumed. When I tell people I’m asexual, the disclosure is often met with disbelief, confusion, and weirdly enough the question “do you orgasm?” to which I have to clear up the fact that I am both of sound mind and body and still asexual. This sort of assumption about me is at worst a minor inconvenience. But the opposite assumption, the assumption of asexuality, is a reality that people with disabilities confront and suffer from every day. 

For a very long time, until about the 1970s, people with disabilties were considered to be asexual by the general population. Either this was due to the misconception that physical disabilities made it so sexual satisfaction and sexual actions were unachievable or in the case of psychological disabilities, that they were too childlike to experience sexual desires (also consent can become an issue). Due to  the lack of research done for the perceived sexualities for those with severe psychological disabilities, I will be focusing on the discussion of physical disabilities. 

Sexual relationships and physical intimacy are key components to psychological well-being and self-worth. In a meta-analysis conducted by Milligan and Neufeldt (2001), they found that in both personal narratives and empirical studies that there was a shroud of asexuality on top of the disabled community. Because of limited mobility and bodily abnormalities, there was thought to be no conceivable way for people with disabilites to have sex. This meant that there was little to no sex education, which left people without knowledge and vulnerable to sexually transmitted diseases or unwanted pregnancies. In a film I recently watched called Crip Camp, a woman with cerebral palsy is admitted to the hospital due to severe abdominal pain. The doctors perform a removal of the appendix, but she doesn’t have appendicitis. She has gonorrhea. The doctor assumed that this woman wouldn’t be having sex and thus performed unneccesary surgery due to socital beliefs about people with disabilites. This bias permeates through doctors, researchers, caretakers, media, and potential partners.

What can be more dangerous still, is the internalization of this narrative in people with disabilities. They can come to see themselves as undesirable, unable to properly perform sexually, and that whatever sexual need they may have is a secondary concern and is often ignored. With that internalization comes a lack of activism and speaking out against these stereotypes that can be so detrimental.

What I want to make sure I’m careful of, is to not erase the existance of people with disabilites who genuinely are asexual. Speaking from my own experience, I often find myself having conversations with my fellow students about how important it is that women talk openly and honestly about their sexual desires. That they are unashamed of liking and wanting sex. And as someone who considers themself a feminist, I wanted to make sure that I was doing my part. I wanted to be a woman who held her head up high and talked about sex to break taboos. But, that isn’t me. And that can be a tough spot because I desperately want to make sure that I am not confirming stereotypes for people who are looking to make examples out of me. That’s why the work that Stichting Heppie Seks does is so important. Breaking taboos about sexuality doesn’t mean that everyone has to be sexual, but they have the right and the freedom to have their sexual needs met.